|
RASBESCHRIJVING
LANDSEER E.C.T
Korte
geschiedenis van het ras
Reeds
in de laatste helft van de vorige eeuw is er in Engeland verschil
van mening geweest of de zwarte en zwart-witte Newfoundlanders tot
een en het zelfde ras behoren. De Engelsen stopten de discussie met
de oprichting van de Newfoundlander Club in 1886, waarbij in de
raspunten werd opgesteld dat de zwart-witten in alle opzichten,
behalve de kleur, aan de zwarten gelijk moeten zijn. Na de oorlog
laaide de strijd weer op, met name in Duitsland, Zwitserland en
Nederland. Het op verschillende punten afwijkende type (met name
hoger op de benen) van de zwart-witten rechtvaardigde een aparte
standaard die in 1960 werd opgesteld.
Rasbeschrijving
De Landseer moet de indruk
maken van een grote, sterke, harmonisch gebouwde hond. Vooral de reu
staat in verhouding hoger op de benen dan de zwarte Newfoundlander.
Hoofd: Huid van het
hoofd zonder plooien, met kort fijn haar. Markant gevormd hoofd,
edel van uitdrukking.
Schedel: Breed en
massief. Het achterhoofdsbeen goed ontwikkeld.
Stop: Duidelijk, doch
niet zo steil en geprononceerd als bij de Sint Bernard.
Neusspiegel: zwart
gepigmenteerd
Voorsnuit: lengte van
de snuit is gelijk aan de diepte van de snuit gemeten vóór de
stop.
Lippen: droog en zwart
gepigmenteerd bovenlippen zo strak mogelijk, de onderlippen iets
bedekkend, niet kwijlend.
Wangen: de matig
ontwikkelde wangen gaan geleidelijk in de snuit over.
Kaken/gebit:
Schaargebit
Ogen: middelgroot,
matig diep liggend, bruin tot donkerbruin; lichtbruin mag toegestaan
worden, met vriendelijke uitdrukking, amandelvormig, bindvlies niet
zichtbaar. Uitgesproken lichte ogen (zwavel- of grijsgeel) en ogen
die te dicht bij elkaar staan zijn foutief.
Oren: middelgroot,
tegen de ogen gelegd tot de binnenste ooghoek reikend, driehoekig
van vorm, onderkant iets afgerond, hoog aangezet, maar niet te ver
naar achteren en glad tegen de zijkanten van het hoofd aanliggend;
met fijne korte beharing, alleen aan de achterkant van de wortel wat
langere franje.
Hals:In doorsnede niet
geheel rond, maar enigszins eivormig, stijgt de hals gespierd en
breed van de schouder-borstpartij naar de kop. Bij symmetrische bouw
bedraagt de lengte van de achterhoofdsknobbel tot de schoft ongeveer
3/4 tot 4/5 van de hoofdlengte van achterhoofdsknobbel tot de neus
gemeten.
Geprononceerde keel- of
halswammen zijn niet gewenst.
Lichaam:Het lichaam
moet van schoft tot staartaanzet ongeveer twee maal de lengte van
het hoofd hebben. Van de schouders tot het kruis breed en krachtig.
Rug: stram en recht.
Lendenen: gespierd.
Kruis: breed, door
sterke spierkussens naar opzij en naar achteren mooi afgerond.
Borst: tussen de zeer
gespierde schouders is de borst diep en breed met overeenkomstig
krachtig gewelfde ribben van de borstkas.
Buik: weinig
opgetrokken. Tussen buik en lendenen moet een vlakke inzinking van
de flanken duidelijk zichtbaar zijn.
Zwakke rug, zadelrug, slappe
lendenen en te korte achterste ribben met sterk opgetrokken buik
zijn fouten.
Staart:Stevig,
hoogstens tot even beneden het spronggewricht reikend, zeer dik en
bossig behaard, maar geen veer vormend. Als de hond stilstaat en in
rust is, moet de staart naar beneden hangen met, eventueel, een
lichte bocht naar boven aan het einde. Bij opwinding en in de
beweging mag de hond hem rechtuit gestrekt met een lichte buiging
naar boven van de staartpunt dragen. Knikstaarten of over de rug
gekrulde staarten zijn verwerpelijk
Voorhand:Sterke van de
schouders komende spierbundels omvatten de krachtige botten van de
bovenarm, waaraan zich met juiste hoeking de krachtige botten van de
van voren gezien kaarsrechte, goed gespierde benen aansluiten. Het
gehele been is tot aan het polsgewricht licht bevederd.
Ellebogen: Ze sluiten
aan bij het onderste deel van de borstkas, zijn vrij hoog geplaatst
en zijn recht achteruit gericht.
Achterhand:De
achterhand moet krachtig zijn. De achterbenen moeten zeer vrij
bewegen en zij moeten sterke botten hebben, die bedekt zijn met
stevige spieren. De achterbenen zijn matig bevederd.
Dijbeen: bijzonder
breed ontwikkeld.
Hubertusklauwen: zijn
verwerpelijk en moeten zo spoedig mogelijk na de geboorte verwijderd
worden.
Koehakkige stand en gebrek aan hoeking zijn fouten.
Voeten:Groot en goed
gevormd, zogenaamde kattenvoeten. Spreidtenen of naar buiten
gedraaide voeten zijn af te keuren. De tenen moeten door stevige
zwemvliezen tot vrij dicht aan de punten van de tenen met elkaar
verbonden zijn.
Gangwerk:De beweging en
gangwerk van de gespierde benen is stuwend en ruim uitgrijpend.
Haar: De beharing moet,
behalve op het hoofd, lang, zo recht mogelijk en dicht zijn, en bij
het aanraken fijn aanvoelen. De bovenvacht is voorzien van
ondervacht, doch niet zo dicht als bij de zwarte Newfoundlander. Een
licht golvende bovenvacht op rug en heupen is niet verwerpelijk.
Tegen de draad geborsteld moet
het haar vanzelf weer in de juiste toestand terugvallen.
Kleur: De grondkleur
van het haar is zuiver wit met losse zwarte platen op romp en kruis.
De hals, de voorborst, de buik, de benen en de staart moeten wit
zijn. Het hoofd is zwart. Gewenst is een witte snuit met een witte,
symmetrische, niet te brede, doorlopende bles. Nog voorkomende
zwarte, kleine vlekjes in het wit zijn geen fout, maar moeten er
toch uitgefokt worden.
Hoogte:De
schouderhoogte van de Landseer mag variëren:
Bij de reuen gemiddeld tussen
72 en 80 cm.
Bij de teven gemiddeld tussen
67 en 72 cm.
Kleine verschillen naar boven
of naar beneden zijn toegestaan.
|